‘Kijk nu even liefje’, zeg ik terwijl ik met mijn opengeklapte computer door het huis achter Bert aan loop. ‘Neen schat, ik ga niet kijken want we nemen nu geen nieuwe hond. We verblijven tijdelijk in een kleine gîte en de fundering van ons eigen huis is nog niet eens klaar, dit is ECHT NIET het moment.’ En ook: ‘Uit Bulgarije? Zijn er in Frankrijk dan geen straathonden te vinden?’
Maar de beige hond die op een stukje karton in de sneeuw ligt in het verre Bulgarije, in wiens ogen de flash van het fototoestel weerkaatst, heeft zich reeds in mijn hart genesteld.
Ik zoek naar telefoonnummers en bel met Bulgarije want ik wil zeker zijn dat hij goed is met kinderen en katten maar ik spreek geen Bulgaars en zij geen Engels dus we hangen aan beide kanten zuchtend uit onmacht de telefoon op. Er volgen gesprekken met een Duitse vrijwilligster die een transport zal regelen en me geruststelt: Brando is gecontroleerd door een dierenarts en allesbehalve agressief. ‘Brando, omdat hij volgens de vrijwilligers in Bulgarije de ogen van Marlon Brando heeft’ weet ze me nog te vertellen. We beslissen de naam te behouden als verwijzing naar zijn roots en als blijk van dankbaarheid voor de mensen die hem gered hebben.
Niet veel later volgt er een telefoontje: er is een Russisch transport dat via Bulgarije naar Duitsland komt en Brando mee kan nemen. En dan zullen de Duitse vrijwilligers tot midden Frankrijk rijden en maakt Bert zich klaar voor een lange rit. Dan gaat alles weer on hold want het contact met het Russische konvooi gaat verloren en niemand weet waar Brando zich bevindt. Ik zie al vreselijke taferelen voor me: te veel vodka, slippende banden, Brando in een bench in de sneeuw… maar dan is er het verlossende telefoontje. Bert kan vertrekken.
Op een parking in Frankrijk krijgt Bert een leiband in zijn handen gedrukt met een grote bange beige hond aan het andere eind. En waarschijnlijk vreselijk wagenziek, maar daar zouden we pas later achterkomen.
Ik sta aan de andere kant van de rit te wachten met de kinderen. Met een vreselijk naïef beeld dat zo’n geadopteerde hond me in de armen zou springen, na een reis van meer dan 36 uren. Zijn hele houding is er één van onderdanigheid en mochten ze tot daar reiken, zijn oren zouden over de grond slepen.
Maar al snel nestelt hij zich tussen de spelende kinderen die hem met één handje strelen terwijl ze de hoogste torens bouwen. Hij verroert geen vin als de jongens, als ridders verkleed, hun zwaarden boven hem tegen elkaar laten kletteren. Hij laat zich gewillig corrigeren door Jacky, onze toen bijna geadopteerde dorpshond, en de katten mogen uit zijn waterbak drinken.
Maar het was geen makkelijke start. Ik droomde van een hond die ons overal zou volgen en braaf aan onze voeten zou liggen. Maar hij blijkt verzot op de geiten bij de buren en als er op een dag een boer de berg oploopt en me kordaat aanspreekt: ‘Bij stress geven mijn geiten geen melk. Geen melk is geen inkomen. Als hij nog één keer achter mijn beesten zit haal ik mijn geweer boven’ weet ik dat het menens is.
Hij moet aan de ketting. Mijn hart breekt en mijn hoofd draait op volle toeren. Ik bel met hondentrainers en gedragstherapeuten. Misschien dat er een beter plekje voor hem bestaat? Maar ook: je wisselt niet van hond omdat het moeilijk gaat, toch?
Als we verhuizen naar het zuiden komt er meer rust in ons leven en in dat van hem. De ketting mag meteen voorgoed de vuilbak in en maakt plaats voor wandelingen en braden in de zon. Onze hot-dog.
Het leven kabbelt voort tot er op een dag een mini klein grijs bolletje voor zijn neus wordt gezet, Belle. Zij kruipt meteen naar hem toe, hij heeft wat meer tijd nodig. Maar uiteindelijk mag zij alles wat de andere katten niet mogen: in zijn nest liggen, tegen hem aan komen liggen en zijn brokjes opeten. Als ze naar buiten gaat blijft hij in de buurt. De oude Brando heeft een zwak voor het katje met twee halve voorpotjes.
Langzaamaan worden de wandelingen korter. Hij komt niet meer boven slapen. Een slepende achterpoot. Doktersbezoeken, radiografie, medicatie, spuiten, osteopathie. Artrose. ‘Dat blaffen ’s avonds kan ook wel Alzheimer zijn’, zegt een dierenarts in de dierenkliniek en hup, nog wat kalmeringspillen erbovenop. En mijn ongerustheid groeit. Want je voelt dat hij niet lekker is. Maar je weet ook dat 14 jaar een gezegende leeftijd is. En eerlijks is eerlijk, soms is dat blaffen ’s avonds en ’s nachts ook een ergernis want niemand slaapt nog goed.
Tijdens het weekend wordt hij nog platgeknuffeld door mijn meisje Billie. Zondagavond gaat het mis. Ik schiet wakker omdat ik hem piepend op de trap hoor. Ik snel naar beneden en vertil me bijna een hernia om hem weer naar zijn nest te dragen.
Drie dagen en nachten samen in een cocon. In de zetel of mee in het nest en masseren en strelen. Spuiten en fentanylpleisters. Zijn scheetjes stinkender dan ooit van alle medicijnen en onrust. Niets doet de pijn stillen.
Hij strompelt nog een keer naar buiten en legt zich op zijn kussen. Hij is knorrig als Bert hem weer naar binnen draagt wanneer het donker en koud wordt. We weten: hij wilt niet meer verplaatst worden.
Hij eet nog de pot kippenrilette van Bert leeg en alle charcuterie van de jongens want dat dieet voor zijn artrose kan nu wel de boom in.
De laatste nacht, terwijl ik van oververmoeidheid in en uit een slaap glijd, met de televisie op de achtergrond met beelden waar ik me niets meer van herinner, kijkt hij me, telkens als ik even mijn ogen open, zo rustig aan. Heel de nacht zijn er twee donkere kijkers die mij aanstaren. Ik weet dat hij me iets zegt.
Die ochtend bel ik huilend naar de dierenarts. ‘Zijn jullie er samen uitgeraakt?’ vraagt hij en ik zeg dat ik het niet weet, wie ben ik om te beslissen over zijn leven? Dat beest dat mij zo vertrouwt ga ik nu de dood injagen? Maar dat ik wil dat hij niet meer lijdt. ‘Deze namiddag ben ik bij jullie’ zegt hij.
Brando sleept zich nog één keer naar buiten om te plassen. ‘Gaat het niet wat beter?’ vraag ik hoopvol aan Bert met mijn telefoon in de aanslag om de dierenarts af te bellen. ‘Het is tijd schat, we moeten hem laten gaan, hij ziet al veel te lang af’. En ik weet het, hij heeft het me die nacht ook verteld en ik weet dat ik het ben die hem tegenhoud. Ik denk aan de wijze woorden van mijn oudste zus die ik al twee dagen als een mantra in mijn hoofd opzeg: ‘Dat dieren altijd accepteren wat hun baasje kiest.’
Er volgt een eindeloos wachten. Met het sterven van mijn vader op replay in mijn lijf, begint de tijd zich weer te rekken en in te korten. Want op zulke momenten gaan er weer allemaal potjes open. Ik heb twijfels en schuldgevoelens. Ik stuur berichtjes uit omdat ik erin geloof dat je zo een energetisch veld creëert waarin iedereen gedragen wordt en dat het Brando vleugels geeft.
Dan gaat de bel. Het gaat razendsnel en met zijn hoofd in mijn schoot en zijn snuit tegen mijn buik blaast hij vier keren hard en in en uit en weg is hij. Onmiddellijk wordt zijn lijf lichter en ik voel hoe hij wegspurt. Bevrijd van zijn kapotte achterlijf.
Er zijn rode rozen en Belle die aan zijn oor komt snuffelen. De kussentjes van zijn voorpoot worden zwart geschilderd voor een afdruk. Er zijn veel tranen die, zoals mijn zusje het zei, ‘de rivier vormen waarmee hij in een bootje naar de overkant kan varen.’
Dat ik de pijn en leegte nadien heb onderschat is een understatement en misschien alleen te begrijpen door mensen die een huisdier hebben. Maar in die twaalf jaren samen is zijn leven zo verweven geraakt met ons hele gezin. Fons die vanuit Spanje de woorden niet vindt. De jongens die wat ronddwalen. Bert die futloos is en ik een tranendal.
Dat er ’s ochtends bij het koffiezetten geen getrippel meer is en een kopje om de hoek van de keuken komt loeren. Geen georganiseer meer over wie er nog eens met Brando moet gaan wandelen. Geen ochtendknuffel meer waardoor je vol haren hangt.
Ik ga alleen ons ochtendwandelingetje maken en moet zo hard huilen als ik zijn strontjes op de weg tegenkom. Wie had dat ooit gedacht, huilen bij een hoopje kaka…
Zijn nest buiten van waaruit, als de zon erop staat, zijn geur opstijgt. De katten die nu ongestoord zijn laatste brokjes kunnen opsmikkelen. De overheersende stilte in huis.
Ik heb met momenten zo gezucht met zijn niet aflatende productie aan haren die overal in huis te vinden zijn. Als ik niet elke dag stofzuigde had ik er meteen een extra tapijt bij. Maar voorlopig blijft de stofzuiger waar hij is want al die witte haartjes zijn me nu zo dierbaar.
Mijn grootste knuffelbeer, mijn wijze leermeester, mijn trouwe hot-dog: loop en speel en snoep en snuffel. Ik weet dat je nu al door iedereen hierboven doodgeknuffeld wordt want zelfs de mensen die niet zo’n hondenvrienden zijn, had jij in no time om je poot gewonden. Bedankt voor alles.

Een reactie achterlaten